Citaat | Hoge Raad 13 februari 2018
Onder 2.2.2. Hoge Raad 13 februari 2018
Een alinea uit Hoge Raad 13 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:189.
Ik ben met [verdachte] meegegaan naar België omdat hij zei dat hij mijn vader had gesproken en dat hij zei dat mijn vader het goed vond. Ik was op dat moment heel erg bezig met wat mijn vader goed vond [...]. Iedere keer als [verdachte] mij benaderde om iets te gaan doen, dan had hij eerst met mijn vader overlegd. Het is ook zo geweest dat [verdachte] mij belde en vroeg of hij mij mee mocht nemen ergens naar toe. Mijn vader gaf dan vervolgens toestemming en dan belde [verdachte] terug en zei dat mijn vader het goed vond en vroeg waarom ik dan niet mee wilde gaan. Hij zette mij eigenlijk voor het blok. [verdachte] zei dan ook dat als ik niet meer zou gaan, mensen vragen zouden gaan stellen en dat het dan misschien uit zou komen wat er allemaal tussen ons gebeurd was. [...] Verder wilde ik ons pap [...] ook niet voor zijn hoofd stoten."
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5c5feaf242f5253d535681a8f742ffddcf353f1e5256c62fcb98098f4e2e3b32. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5c5feaf242f5253d535681a8f742ffddcf353f1e5256c62fcb98098f4e2e3b32, en de alinea staat in dat document op bytes 33849 tot 34709.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5c5feaf242f5253d535681a8f742ffddcf353f1e5256c62fcb98098f4e2e3b32 | shasum -a 256