Citaat | Hoge Raad 13 februari 2018

Onder 2.2.3. Hoge Raad 13 februari 2018

Een alinea uit Hoge Raad 13 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:189.

De eerste vraag waarvoor het hof zich ziet gesteld, is de vraag of de verklaringen van aangeefster als betrouwbaar moeten worden aangemerkt. Anders dan de raadsman is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat die vraag bevestigend moet worden beantwoord. Het hof deelt het standpunt van de advocaat-generaal en de rechtbank dat de verklaringen van aangeefster gedetailleerd en consistent zijn en daarbij steeds zulke details en observaties bevatten, dat het hof deze als betrouwbaar aanmerkt. Belangrijk is bovendien dat aangeefster de ontuchtige handelingen van verdachte plaatst in het kader van zijn geraffineerde handelwijze (het tevoren bellen van de vader van aangeefster of aangeefster met hem mee mocht) en zijn dwingende, geen tegenspraak duldende karakter, waartegen zij als jong meisje nauwelijks bestand was, terwijl die handelwijze en dat karakter door anderen worden bevestigd. Voor zover er sprake is van tegenstrijdigheden of inconsistenties in de verklaringen van aangeefster, zijn die van ondergeschikte aard en begrijpelijk gelet op de werking van het menselijke geheugen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5c5feaf242f5253d535681a8f742ffddcf353f1e5256c62fcb98098f4e2e3b32. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5c5feaf242f5253d535681a8f742ffddcf353f1e5256c62fcb98098f4e2e3b32, en de alinea staat in dat document op bytes 37412 tot 38524.