Citaat | Hoge Raad 30 oktober 2018

Onder 2.2.3. Hoge Raad 30 oktober 2018

Een alinea uit Hoge Raad 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2023.

Daarnaast merkt het hof nog op dat - even uitgaande van de juistheid van de stelling dat het ondervragingsrecht niet is uitgeoefend - het feit dat de verdediging de getuige [betrokkene 3] niet (dan wel onvoldoende) heeft kunnen bevragen in het onderhavige geval zou moeten leiden tot uitsluiten van het bewijs van de verklaring, geen doel treft. De verdediging miskent dat uit de zogenaamde Vidgen-jurisprudentie (EHRM 10 juli 2012, NJ 2012/649) voortvloeiende regels (dat het gebruik van een in het vooronderzoek afgelegde verklaring afkomstig van een niet-ondervraagde getuige onverenigbaar is met art. 6 lid 3 EVRM indien die verklaring niet wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal dat betrekking heeft op de door verdachte betwiste onderdelen van de belastende verklaring) niet van toepassing zijn in de ontnemingsprocedure (vgl. HR 2 maart 2010, ECLI:NL: HR:2010:BK3424 en HR 7 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:898).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fde080ffa663274578fce2f04402a1d87d05ce2dee6c788ac16fd1bdc9e68dd1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fde080ffa663274578fce2f04402a1d87d05ce2dee6c788ac16fd1bdc9e68dd1, en de alinea staat in dat document op bytes 24550 tot 25482.