Citaat | Hoge Raad 23 november 2018
Onder 4.1 Hoge Raad 23 november 2018
Een alinea uit Hoge Raad 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2160.
Onderdeel 1a van het middel is gericht tegen het begin van rov. 6.49, waarin het hof overweegt dat het de Raad voor de rechtspraak ten tijde van het versturen van de hiervoor in 3.1.3 genoemde brief (in 2006) duidelijk had moeten zijn dat niet (meer) onverkort kon worden uitgegaan van hetgeen [A] zei over het door [verweerder] gestelde telefonisch contact tussen hem en [A] . Volgens het onderdeel is deze overweging niet begrijpelijk in het licht van (i) het uitgangspunt van het hof in rov. 6.45 dat er geen aanwijzingen zijn dat de Raad in 2004 wist dat [A] loog, (ii) het tussenvonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 december 2005 waarin [verweerder] werd toegelaten de juistheid van zijn uitlating te bewijzen, en (iii) het eindvonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 januari 2008 waarin de rechtbank oordeelde dat [verweerder] niet in dit bewijs was geslaagd (zie voor deze vonnissen hiervoor in 3.1.2).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cc9fba73c050d10defb697e51890ba762c0e590155f6684ffbb9aab023037c29. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cc9fba73c050d10defb697e51890ba762c0e590155f6684ffbb9aab023037c29, en de alinea staat in dat document op bytes 20012 tot 20939.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/cc9fba73c050d10defb697e51890ba762c0e590155f6684ffbb9aab023037c29 | shasum -a 256