Citaat | Hoge Raad 30 november 2018

Onder 2.5.4. Hoge Raad 30 november 2018

Een alinea uit Hoge Raad 30 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2198.

Uit de gedingstukken blijkt dat belanghebbende de tweede aangifte op 17 juni 2012 heeft gedaan nadat hij van de werkgever en een door belanghebbende geraadpleegde belastingadviseur te horen had gekregen dat de opbrengst van de PSL in box 1 moest worden aangegeven als voordeel uit lucratief belang. Door dit voordeel desalniettemin niet op te nemen in de tweede aangifte, heeft belanghebbende bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aan de Inspecteur de juiste gegevens of inlichtingen onthield dan wel onjuiste gegevens of inlichtingen verstrekte. Hetgeen belanghebbende daarin onder de post ‘Rekenhulp opbrengsten uit overig werk’ heeft vermeld, kan dat gebrek niet helen reeds omdat daarin de participaties in de PSL niet werden genoemd. Het Hof heeft terecht geoordeeld dat belanghebbende ten tijde van de indiening van de tweede aangifte ten aanzien van dat feit te kwader trouw was in de zin van artikel 16, lid 1, laatste volzin, AWR. Het middel kan niet tot cassatie leiden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1e00b7ffdae4a7bf88349104c2ce35a45e5b7d1180c52abe0c0273c649bab497. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1e00b7ffdae4a7bf88349104c2ce35a45e5b7d1180c52abe0c0273c649bab497, en de alinea staat in dat document op bytes 18868 tot 19873.