Citaat | Hoge Raad 21 december 2018
Onder 3.3.2 Hoge Raad 21 december 2018
Een alinea uit Hoge Raad 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2370.
Art. 2:248 lid 1 BW houdt in dat in geval van faillissement van de vennootschap iedere bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden van de vennootschap voor zover deze niet door de vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Deze regel strekt tot bescherming van de belangen van de gezamenlijke schuldeisers van de gefailleerde vennootschap. Van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling in de zin van art. 2:248 lid 1 BW kan slechts worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder – onder dezelfde omstandigheden – aldus gehandeld zou hebben (vgl. HR 8 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2053 (Panmo), rov. 3.7).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7faac63e9824f21fea4518e35b62b6dff06c8fa464e73a3a2890b915ff1c03c4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7faac63e9824f21fea4518e35b62b6dff06c8fa464e73a3a2890b915ff1c03c4, en de alinea staat in dat document op bytes 19438 tot 20262.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7faac63e9824f21fea4518e35b62b6dff06c8fa464e73a3a2890b915ff1c03c4 | shasum -a 256