Citaat | Hoge Raad 20 maart 2018
Onder 2.2.2. Hoge Raad 20 maart 2018
Een alinea uit Hoge Raad 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:368.
Ik heb de woning aan de [a-straat 1] onderverhuurd aan een Marokkaanse jongen. Ik had gokschulden bij hem. Ik moest het geld terug betalen, maar ik kon het niet. We hebben samen naar een oplossing gezocht en ik heb mijn woning aan hem onderverhuurd. Ik ben geen domme jongen. Ik wist wel dat er iets in de woning gebeurde, wat niet helemaal mocht. Ik had wel een vermoeden maar ik wilde het liever niet weten. Ik dacht dat ik mijn geldproblemen op deze manier kon oplossen. Ik wist niet zeker dat die Marokkaanse jongen in de hennep zat, maar ik had wel een vermoeden dat hij niet eerlijk aan zijn geld kwam. Hij betaalde me elke maand 525 euro. Ik betaalde elke maand de rekening van de huur en de Nuon. De post kreeg ik op het adres [a-straat 1]. De brievenbus stond in de centrale trappengang. Ik wil geen risico nemen en geef geen naam van de persoon die mij benaderd heeft."
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/32cfad396f07618c8baebf4f433d59494aa5d8843553bbd5eaabbb1c78fea768. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 32cfad396f07618c8baebf4f433d59494aa5d8843553bbd5eaabbb1c78fea768, en de alinea staat in dat document op bytes 8389 tot 9281.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/32cfad396f07618c8baebf4f433d59494aa5d8843553bbd5eaabbb1c78fea768 | shasum -a 256