Citaat | Hoge Raad 23 maart 2018

Onder 3.9 Hoge Raad 23 maart 2018

Een alinea uit Hoge Raad 23 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:424.

Als ingevolge een van de bepalingen van Titel II van de Faillissementswet of binnen een maand na het einde van de surseance het faillissement wordt uitgesproken, gelden de regels van art. 249 lid 1 Fw. Art. 249 Fw strekt ertoe dat (onder de in dat artikel genoemde omstandigheden) de surseance en het daarop volgende faillissement als een geheel worden behandeld (HR 27 mei 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0343, NJ 1988/964; HR 24 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2991). Art. 249 lid 1, onder 4°, Fw bepaalt in dat verband dat de boedel ook na de faillietverklaring niet aansprakelijk is voor verbintenissen van de schuldenaar die zonder medewerking, machtiging of bijstand van de bewindvoerders gedurende de surseance zijn ontstaan, tenzij de boedel hierbij is gebaat (zie ook art. 228 lid 2 Fw). Voor vorderingen ten aanzien waarvan de surseance werking heeft, geldt in de gevallen als bedoeld in art. 249 Fw het hiervoor in 3.5.4 overwogene dan ook vanaf het moment van het ingaan van de surseance.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/85fbaf24e9d674642fc87558f1d1a918a2cc4548f5e39005325d2139b5d9e0e7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 85fbaf24e9d674642fc87558f1d1a918a2cc4548f5e39005325d2139b5d9e0e7, en de alinea staat in dat document op bytes 31589 tot 32594.