Citaat | Hoge Raad 3 april 2018
Onder 3.3.2. Hoge Raad 3 april 2018
Een alinea uit Hoge Raad 3 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:487.
Blijkens de verwerping van het tot bewijsuitsluiting strekkende verweer heeft het Hof kennelijk geoordeeld dat de opsporingsambtenaren als toezichthouder op de voet van art. 5:11, in verbinding met art. 5:15 en/of 5:19 Awb (in samenhang met art. 2:44, eerste lid, APV Zwijndrecht) bevoegd waren het voertuig (en de lading) te onderzoeken. Dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Blijkens art. 1:6, aanhef en onder a, Awb zijn de hoofdstukken 2 tot en met 8 en 10 van die wet immers niet van toepassing op de opsporing en vervolging van strafbare feiten. Zulks blijkt ook uit de onder 3.2.2 vermelde wetsgeschiedenis van art. 1:6 Awb. Dat brengt met zich dat art. 5:15 en 5:19 Awb geen grondslag bieden voor het toepassen van de in die bepalingen neergelegde bevoegdheden van een toezichthouder tot - kort gezegd - het betreden van plaatsen en het onderzoeken van voertuigen en hun lading, indien die bevoegdheidsuitoefening in de concrete omstandigheden van het geval uitsluitend kan worden aangemerkt als opsporing in de zin van art. 132a Sv.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6e4874a7b9e9af208f3472665682715dafc3863d25104dbbf7b47c422f80472a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6e4874a7b9e9af208f3472665682715dafc3863d25104dbbf7b47c422f80472a, en de alinea staat in dat document op bytes 37881 tot 38964.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/6e4874a7b9e9af208f3472665682715dafc3863d25104dbbf7b47c422f80472a | shasum -a 256