Citaat | Hoge Raad 30 maart 2018

Onder 3.7.2 Hoge Raad 30 maart 2018

Een alinea uit Hoge Raad 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:488.

Het hof heeft aldus – in overeenstemming met de hiervoor in 3.6.1-3.6.7 genoemde uitgangspunten – onderzocht of de omstandigheden van dit geval meebrengen dat de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over [kind 1] en [kind 2] een inmenging vormt in het gezinsleven van de (niet met het gezag over de minderjarigen belaste) vader als bedoeld in art. 8 lid 2 EVRM, en of het onderwerp van de onderhavige zaak kan leiden tot een rechterlijke beslissing die het recht op gezinsleven van de vader rechtstreeks raakt, met als gevolg dat de vader moet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv, in verbinding met art. 8 lid 1 EVRM. Het op dit onderzoek gebaseerde oordeel van het hof dat de vader in de procedures betreffende [kind 1] en [kind 2] niet kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De daartegen gerichte rechtsklacht van onderdeel B faalt derhalve.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aefb08b0e69b3651b47fd34f50a0f55595b7fff3c6f4fb3551b593ee21bb39e1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aefb08b0e69b3651b47fd34f50a0f55595b7fff3c6f4fb3551b593ee21bb39e1, en de alinea staat in dat document op bytes 28994 tot 30032.