Citaat | Hoge Raad 3 april 2018

Onder 2.3. Hoge Raad 3 april 2018

Een alinea uit Hoge Raad 3 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:502.

In de onderhavige beklagprocedure heeft de klager aangevoerd dat geen redelijk vermoeden van schuld jegens hem bestond op het moment dat de auto onder hem in beslag werd genomen. In zo een geval dient de vraag of ten tijde van de inbeslagneming een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit bestond, beoordeeld te worden met het oog op beantwoording van de vraag of een belang van strafvordering aanwezig is voor het voortduren van het beslag (vgl. HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:142). Dat betekent dat de beklagrechter moet beoordelen of op basis van het dossier en hetgeen in raadkamer door de Officier van Justitie en door of namens de klager is aangevoerd - en derhalve uitgaande van de stand van zaken ten tijde van de behandeling van het klaagschrift - jegens de klager een redelijk vermoeden van schuld aan de verweten gedraging kan volgen. Het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv draagt daarbij een summier karakter, mede omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of ontnemingszaak te geven oordeel (vgl. HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8ff2430a77f9035ed4bc149a8e3d087c13a36506fabae99ca6bbdd6a2b527d70. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8ff2430a77f9035ed4bc149a8e3d087c13a36506fabae99ca6bbdd6a2b527d70, en de alinea staat in dat document op bytes 10350 tot 11540.