Citaat | Hoge Raad 13 april 2018

Onder 2.3.1. Hoge Raad 13 april 2018

Een alinea uit Hoge Raad 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:505.

Het opnemen van het btw-identificatienummer in artikel 2a, lid 1, letter g, van de Wet strekt tot uitvoering van de in artikel 214 van BTW-richtlijn 2006 neergelegde opdracht aan lidstaten een identificatiesysteem op te zetten. Identificatie van de in artikel 214 van BTW-richtlijn 2006 aangewezen personen geschiedt door toekenning van een nationaal individueel nummer. Doel van dit identificatiesysteem is blijkens artikel 216 van BTW-richtlijn 2006 de juiste toepassing te verzekeren van de in artikel 402 van BTW-richtlijn 2006 bedoelde overgangsregeling voor de belastingheffing op intracommunautaire handelingen. De invoering van het identificatiesysteem houdt dus in het bijzonder verband met de handhaving van de regels die gelden bij de heffing van omzetbelasting met betrekking tot het intracommunautaire handelsverkeer. Dit komt tot uitdrukking in diverse bepalingen van de Wet waarin voor de wijze van heffing van omzetbelasting of ter bepaling van de plaats van de prestatie een btw-identificatienummer van belang is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/362fa56caf7248be3f43b1fa4fcc86a5b6d367ea2ec11b915879aae0d45586b5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 362fa56caf7248be3f43b1fa4fcc86a5b6d367ea2ec11b915879aae0d45586b5, en de alinea staat in dat document op bytes 10554 tot 11598.