Citaat | Hoge Raad 13 april 2018
Onder 2.3.6. Hoge Raad 13 april 2018
Een alinea uit Hoge Raad 13 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:505.
Middel I faalt ook voor zover het berust op de stelling dat de intrekking van een btw-identificatienummer moet worden gelijkgesteld met een voor bezwaar vatbare beschikking op een verzoek om teruggaaf. Deze stelling berust op de gedachte dat een in een andere lidstaat gevestigde belastingplichtige zoals belanghebbende, als gevolg van die intrekking niet meer door middel van het indienen van een aangifteformulier kan verzoeken om teruggaaf, omdat zonder een btw-identificatienummer geen aangifte kan worden gedaan. Die gedachte kan niet worden gevolgd. Voor een zodanige belastingplichtige staat immers de mogelijkheid open een verzoek om teruggaaf in te dienen op de voet van artikel 31, leden 2 en 3, van de Wet. Het verzoek om teruggaaf moet op grond van artikel 31, lid 2, van de Wet weliswaar worden gedaan door het doen van aangifte, maar op grond van artikel 6, lid 2, AWR dient de inspecteur ieder die daarom verzoekt uit te nodigen tot het doen van aangifte, ook indien de betrokkene niet over een btw-identificatienummer beschikt. Op een dergelijk verzoek om teruggaaf dient de inspecteur te beslissen bij voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 31, lid 8, van de Wet.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/362fa56caf7248be3f43b1fa4fcc86a5b6d367ea2ec11b915879aae0d45586b5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 362fa56caf7248be3f43b1fa4fcc86a5b6d367ea2ec11b915879aae0d45586b5, en de alinea staat in dat document op bytes 15511 tot 16722.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/362fa56caf7248be3f43b1fa4fcc86a5b6d367ea2ec11b915879aae0d45586b5 | shasum -a 256