Citaat | Hoge Raad 6 april 2018
Onder 4.3. Hoge Raad 6 april 2018
Een alinea uit Hoge Raad 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:522.
Middel 2 is gericht tegen het hiervoor in 4.2 weergegeven oordeel van het Hof. Het betoogt dat de uitnodigingen tot betaling, voor zover deze betrekking hebben op in de maand maart 2010 ontstane douaneschulden, buiten de in artikel 221, lid 3, van het CDW vermelde termijn zijn gedaan, en daarom moeten worden vernietigd. Volgens het middel bestaat geen wettelijke grondslag voor het oordeel dat de dag van verzending van het aanslagbiljet doorslaggevend is, en had het Hof daarom aansluiting moeten zoeken bij artikel 3:37, lid 3, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in samenhang gelezen met artikel 3:59 BW. Op grond van die bepalingen treedt een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring pas in werking wanneer deze verklaring die persoon heeft bereikt. In dit geval zou dat zijn de datum van ontvangst (4 maart 2013) van het aanslagbiljet.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/93fa0ffdbacaaa2d94318a58deec7ab5184662b75cdc6edc8aa4b084472bc7b5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 93fa0ffdbacaaa2d94318a58deec7ab5184662b75cdc6edc8aa4b084472bc7b5, en de alinea staat in dat document op bytes 31295 tot 32158.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/93fa0ffdbacaaa2d94318a58deec7ab5184662b75cdc6edc8aa4b084472bc7b5 | shasum -a 256