Citaat | Hoge Raad 6 april 2018
Onder 4.7.3. Hoge Raad 6 april 2018
Een alinea uit Hoge Raad 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:522.
Daartegenover is het verdedigbaar dat in artikel 221, lid 1, van het CDW enkel de wijze waarop de mededeling wordt gedaan aan de lidstaten is overgelaten, en dat het aanwijzen van het moment waarop de mededeling geacht wordt te zijn gedaan (het moment waarop de mededeling aan de schuldenaar wordt toegezonden of uitgereikt dan wel het moment waarop de schuldenaar de mededeling ontvangt) ligt besloten in de bepaling van het CDW waarin een termijn is voorgeschreven. Termijnen die afhangen van het tijdstip waarop de mededeling is gedaan, zijn niet alleen de in artikel 221, lid 3, van het CDW voorgeschreven verjaringstermijn, maar bijvoorbeeld ook de in artikel 222 van het CDW voorgeschreven termijnen van betaling door de schuldenaar en de in artikel 236, lid 2, van het CDW opgenomen termijn waarbinnen een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding moet worden gedaan.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/93fa0ffdbacaaa2d94318a58deec7ab5184662b75cdc6edc8aa4b084472bc7b5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 93fa0ffdbacaaa2d94318a58deec7ab5184662b75cdc6edc8aa4b084472bc7b5, en de alinea staat in dat document op bytes 37632 tot 38521.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/93fa0ffdbacaaa2d94318a58deec7ab5184662b75cdc6edc8aa4b084472bc7b5 | shasum -a 256