Citaat | Hoge Raad 6 april 2018
Onder 3.3 Hoge Raad 6 april 2018
Een alinea uit Hoge Raad 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:535.
Onderdeel 2.1 van het middel keert zich tegen rov. 3.3. Onderdeel 2.1.2 betoogt dat uit HR 8 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7043, NJ 2000/604 kan worden afgeleid dat uit de redelijkheid en billijkheid, dus uit de omstandigheden van het geval, kan volgen dat een deelgenoot wel degelijk namens de gemeenschap tegen een andere deelgenoot kan optreden, waarbij, aldus het onderdeel, in het bijzonder valt te denken aan een situatie als de onderhavige waarin de vordering behelst dat de aangesproken deelgenoot onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gemeenschap. Het onderdeel noemt verder als omstandigheden die het aannemen van een uitzondering rechtvaardigen: dat [verweerder 1] niet als deelgenoot wordt aangesproken maar als een willekeurige derde, dat [eiseres] op de voet van art. 3:171 BW wel vorderingen jegens de dochters van [verweerder 1] kan instellen, dat het voeren van twee procedures met dezelfde inzet elke redelijke grond ontbeert en dat [verweerder 1] slechts een van de vier respectievelijk vijf betrokkenen bij de litigieuze overeenkomsten is.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2abfd7e71eccb7011e74323ea12badf868632739a64482f4c6f0e8daff6db057. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2abfd7e71eccb7011e74323ea12badf868632739a64482f4c6f0e8daff6db057, en de alinea staat in dat document op bytes 17350 tot 18440.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2abfd7e71eccb7011e74323ea12badf868632739a64482f4c6f0e8daff6db057 | shasum -a 256