Citaat | Hoge Raad 17 april 2018
Onder 2.1. Hoge Raad 17 april 2018
Een alinea uit Hoge Raad 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:558.
In HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7309, NJ 2000/721 zijn enige algemene uitgangspunten en regels geformuleerd over de inbreuk op het in art. 6, eerste lid, EVRM gewaarborgde recht van de verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn en het rechtsgevolg dat aan een vastgestelde inbreuk op dat recht dient te worden verbonden. In HR 9 januari 2001, ECLI:NL: HR:2001:AA9372, NJ 2001/307 is daaraan met het oog op ontnemingszaken nog het een en ander toegevoegd. Die uitgangspunten en regels zijn nadien in een reeks van arresten verfijnd en aangescherpt, zoals samengevat in HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358. Aan die uiteenzettingen bleek behoefte te bestaan omdat in de praktijk onduidelijkheid bestond over onder meer de vraag welk rechtsgevolg dient te worden verbonden aan de overschrijding van de redelijke termijn.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/418ed3ed8bcf2d4ac7e6b2037ab46348ed86925dba8e68a8861ee54c80ee5ab7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 418ed3ed8bcf2d4ac7e6b2037ab46348ed86925dba8e68a8861ee54c80ee5ab7, en de alinea staat in dat document op bytes 8377 tot 9261.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/418ed3ed8bcf2d4ac7e6b2037ab46348ed86925dba8e68a8861ee54c80ee5ab7 | shasum -a 256