Citaat | Hoge Raad 19 januari 2018

Onder 3.6.4 Hoge Raad 19 januari 2018

Een alinea uit Hoge Raad 19 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:59.

Wat er zij van de ruimte voor een inmenging in het recht op privéleven, uit de hiervoor in 3.6.1-3.6.3 vermelde rechtspraak van het EHRM moet naar het oordeel van de Hoge Raad worden afgeleid dat een dergelijke inmenging niet in de weg mag staan aan een concrete belangenafweging, waarbij – in het kader van de mogelijkheid van erkenning van een kind (dat geen juridische vader heeft) door zijn verwekker – acht wordt geslagen op de rechten en belangen van de verwekker, het kind en de moeder. Voor een dergelijke concrete afweging liet het ten tijde van de erkenning geldende ongeclausuleerde erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) geen ruimte. Dat verbod vormt dan ook naar hedendaagse maatstaven een ontoelaatbare inbreuk op het door art. 8 lid 1 EVRM beschermde recht op privéleven van de verwekker.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d77ca15c3085ed5c9f3d8176a3a53803f2508d3f1883b2bc1e63f16cc1ee91a9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d77ca15c3085ed5c9f3d8176a3a53803f2508d3f1883b2bc1e63f16cc1ee91a9, en de alinea staat in dat document op bytes 26274 tot 27137.