Citaat | Hoge Raad 19 januari 2018
Onder 3.9.1 Hoge Raad 19 januari 2018
Een alinea uit Hoge Raad 19 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:59.
Blijkens hetgeen het hof heeft overwogen (in rov. 2.13 van zijn tweede tussenbeschikking) berust de tweede prejudiciële vraag op het uitgangspunt dat het ongeclausuleerde erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) op het tijdstip van de erkenning inbreuk maakte op het door art. 8 lid 1 EVRM beschermde recht op privéleven van de verwekker. Uit het antwoord op de eerste prejudiciële vraag volgt dat dit uitgangspunt juist is.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d77ca15c3085ed5c9f3d8176a3a53803f2508d3f1883b2bc1e63f16cc1ee91a9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d77ca15c3085ed5c9f3d8176a3a53803f2508d3f1883b2bc1e63f16cc1ee91a9, en de alinea staat in dat document op bytes 29978 tot 30457.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d77ca15c3085ed5c9f3d8176a3a53803f2508d3f1883b2bc1e63f16cc1ee91a9 | shasum -a 256