Citaat | Hoge Raad 19 januari 2018
Onder 3.11.2 Hoge Raad 19 januari 2018
Een alinea uit Hoge Raad 19 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:59.
Uit het antwoord op de tweede prejudiciële vraag volgt dat art. 8 EVRM (en het daardoor beschermde recht op privéleven) kan meebrengen dat het ongeclausuleerde erkenningsverbod van art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) in een concreet geval buiten toepassing moet blijven. In samenhang met hetgeen hiervoor in 3.11.1 is overwogen, betekent dit tevens dat het mogelijk is dat art. 8 EVRM (en het daardoor beschermde recht op privéleven) meebrengt dat de erkenning in Sint Maarten van de op 6 juni 1990 in de Dominicaanse Republiek tot stand gekomen rechtshandeling van erkenning van verzoeker door de man, niet als kennelijk onverenigbaar met de openbare orde van Sint Maarten kan worden geweigerd op de enkele grond – welke grond is ontleend aan art. 330 lid 1, aanhef en onder b, BWNA (oud) – dat deze erkenning is gedaan door een man die ten tijde van de erkenning zijn gewone verblijfplaats in Sint Maarten had en destijds was gehuwd met een andere vrouw dan de moeder van het kind.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d77ca15c3085ed5c9f3d8176a3a53803f2508d3f1883b2bc1e63f16cc1ee91a9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d77ca15c3085ed5c9f3d8176a3a53803f2508d3f1883b2bc1e63f16cc1ee91a9, en de alinea staat in dat document op bytes 33653 tot 34692.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d77ca15c3085ed5c9f3d8176a3a53803f2508d3f1883b2bc1e63f16cc1ee91a9 | shasum -a 256