Citaat | Hoge Raad 17 april 2018
Onder 3.4. Hoge Raad 17 april 2018
Een alinea uit Hoge Raad 17 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:612.
Op grond van art. 55c, tweede en derde lid, Sv komt – onder de in die bepaling gestelde voorwaarden – aan de ambtenaren als bedoeld in art. 55c, eerste lid, Sv onder meer de bevoegdheid toe vingerafdrukken te nemen van een verdachte met het oog op het vaststellen van zijn identiteit. Anders dan bijvoorbeeld art. 29c Sv – het nadien vernummerde en in de onder 3.2.3 weergegeven wetsgeschiedenis genoemde art. 29a Sv dat ziet op de rechterlijk ambtenaar – houdt art. 55c, tweede en derde lid, Sv niet in dat door, kort gezegd, opsporingsambtenaren een bevel tot medewerking aan de verdachte wordt gegeven. Wel kan de verdachte worden gedwongen de feitelijke toepassing van deze bevoegdheid te dulden. Dit sluit aan bij de wettelijke regeling van de voorheen bestaande bevoegdheid tot het nemen van vingerafdrukken van art. 61a, eerste lid onder b, (oud) Sv en de daarop betrekking hebbende, onder 3.2.4 weergegeven wetsgeschiedenis. Art. 55c, tweede en derde lid, Sv houdt derhalve geen wettelijke verplichting tot medewerking in.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7fda14780e89eae54770963fc71d06b8395c6cdde7727f3ee2c68a3f298d4583. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7fda14780e89eae54770963fc71d06b8395c6cdde7727f3ee2c68a3f298d4583, en de alinea staat in dat document op bytes 29930 tot 30994.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7fda14780e89eae54770963fc71d06b8395c6cdde7727f3ee2c68a3f298d4583 | shasum -a 256