Citaat | Hoge Raad 23 januari 2018

Onder 2.3. Hoge Raad 23 januari 2018

Een alinea uit Hoge Raad 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:64.

Uiteraard geeft het oordeel van de rechter-commissaris een belangrijke indicatie van het belang van de verklaring, maar het uiteindelijke gewicht daarvan zal door de zittingsrechter op een later tijdstip in het geheel van het beschikbare bewijsmateriaal, de mogelijke bewijsconstructie en de inhoud van de bewijsmiddelen moeten worden beoordeeld. Het oordeel van de rechter-commissaris moet in dit licht steeds worden gezien als een voorlopig oordeel, gebaseerd op de toen bekende feiten en omstandigheden. Het oordeel van de rechter-commissaris over de rechtmatigheid van de afspraak is naar zijn aard gebonden aan de stand van het onderzoek, zoals deze ten tijde van de vordering op grond van artikel 226g, derde lid, door de officier van justitie wordt gepresenteerd en is als zodanig een momentopname. Naarmate het onderzoek verder vordert, kan blijken dat de rol van de getuige een andere is geweest, dan door deze - al dan niet bewust misleidend - is weergegeven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/02544dea72c5c58d8b3ae923592fc3044e45c21bde74a92355804e742f70c10a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 02544dea72c5c58d8b3ae923592fc3044e45c21bde74a92355804e742f70c10a, en de alinea staat in dat document op bytes 16714 tot 17696.