Citaat | Hoge Raad 20 april 2018

Onder 3.3.2 Hoge Raad 20 april 2018

Een alinea uit Hoge Raad 20 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:650.

Art. 30p Rv stelt een aantal eisen aan de mogelijkheid tot het doen van een mondelinge uitspraak. In de eerste plaats bestaat deze mogelijkheid volgens het eerste lid alleen als alle partijen bij de mondelinge behandeling zijn verschenen. In de tweede plaats dient de uitspraak volgens het derde lid te worden vastgelegd in een proces-verbaal. Dit brengt mee dat uitsluitend de ingevolge het tweede lid reeds mondeling medegedeelde gronden voor de beslissing schriftelijk kunnen worden vastgelegd, nu een proces-verbaal naar zijn aard beperkt is tot een weergave van het verhandelde ter zitting (vgl. art. 30n lid 3 Rv; vgl. ook de parlementaire toelichting, Kamerstukken II 2014/15, 34059, p. 76, en Kamerstukken II 2014/15, 34138, nr. 6, p. 6). De art. 30p Rv en 30q lid 1 Rv laten geen ruimte voor een uitgeschreven vonnis, arrest of beschikking na een mondelinge uitspraak, nu ingevolge art. 30q lid 1 Rv de rechter alleen schriftelijk uitspraak doet als geen mondelinge uitspraak is gedaan, aldus de toelichting (Kamerstukken II 2014/15, 34138, nr. 3, p. 11).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/14f1817b2e24b737ba77bb2fa098bd460f88f87b9ec2552305a9c9a1929bedb6. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 14f1817b2e24b737ba77bb2fa098bd460f88f87b9ec2552305a9c9a1929bedb6, en de alinea staat in dat document op bytes 11224 tot 12342.