Citaat | Hoge Raad 4 mei 2018

Onder 3.2.3 Hoge Raad 4 mei 2018

Een alinea uit Hoge Raad 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:684.

Deze klacht komt erop neer dat de rechtbank in dit geval op verkeerde (want in strijd met de wet zijnde) wijze uitspraak heeft gedaan, door haar beslissing en de (belangrijkste) gronden daarvoor aanstonds mondeling ter zitting mede te delen, terwijl de officier van justitie niet ter zitting aanwezig was, en vervolgens die uitspraak schriftelijk uit te werken en beschikbaar te stellen. Daarmee betreft de klacht niet een essentiële waarborg voor het grondrecht op vrijheid in de hiervoor in 3.2.1 bedoelde zin. De daar bedoelde doorbrekingsgrond doet zich derhalve niet voor. De enkele klacht dat een wettelijke regel niet in acht is genomen, is volgens vaste rechtspraak onvoldoende voor doorbreking van een rechtsmiddelenverbod (zie onder meer HR 29 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5013, NJ 2011/501). Dat geldt in beginsel ook indien het gaat om vrijheidsbeneming en het (dus) een regel betreft die onderdeel is van een wettelijk voorgeschreven procedure als bedoeld in art. 5 lid 1 EVRM, zoals in dit geval. Betrokkene is derhalve niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fbd8c8b7e25a0450d226274bd8faa60c4041508edb72bc48d4fd0f80281cf2af. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fbd8c8b7e25a0450d226274bd8faa60c4041508edb72bc48d4fd0f80281cf2af, en de alinea staat in dat document op bytes 10046 tot 11139.