Citaat | Hoge Raad 1 juni 2018
Onder 3.4.4 Hoge Raad 1 juni 2018
Een alinea uit Hoge Raad 1 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:818.
Uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33964, nr. 3, p. 38) volgt dat art. 1:125 Wft mede strekt ter implementatie van art. 94 lid 1, onder h, van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (PbEU 2013, L 176/338; hierna: Vierde Richtlijn kapitaalvereisten). Opmerking verdient dat in die richtlijnbepaling geen maximering is aangebracht ten aanzien van vertrekvergoedingen, maar enkel het beginsel is opgenomen dat vergoedingen in verband met een voortijdige beëindiging van een contract moeten samenhangen met in de loop der tijd gerealiseerde prestaties, en falen of misdragingen niet mogen belonen. Naar het oordeel van de wetgever hebben de bepalingen in de Vierde Richtlijn kapitaalvereisten over het beloningsbeleid het karakter van minimumharmonisatie, zodat het hem vrijstond in art. 1:125 lid 2 Wft een verdergaande regeling met betrekking tot vertrekvergoedingen op te nemen (zie Kamerstukken II 2013/14, 33964, nr. 3, p. 10-11).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e504e5c7b0fba1656ebbb939c27a7b4004c6ef0fce046b0fbe2ff320ad17a99a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e504e5c7b0fba1656ebbb939c27a7b4004c6ef0fce046b0fbe2ff320ad17a99a, en de alinea staat in dat document op bytes 16273 tot 17428.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e504e5c7b0fba1656ebbb939c27a7b4004c6ef0fce046b0fbe2ff320ad17a99a | shasum -a 256