Citaat | Hoge Raad 1 juni 2018

Onder 3.5 Hoge Raad 1 juni 2018

Een alinea uit Hoge Raad 1 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:819.

De niet betwiste inhoud van de brief van mr. Keuchenius laat geen andere uitleg toe dan dat [eiser 2] op 9 november 2011 in niet voor misverstand vatbare bewoordingen heeft verklaard dat hij de vof per direct opzegt. Niet is in geschil dat die bewoordingen [verweerder] hebben bereikt en dat dit ook de bedoeling was van [eiser 2]. Niet valt in te zien waarom [eiser 2] [lees: [verweerder]; HR] die bewoordingen redelijkerwijs niet mocht opvatten als een opzegging van de vof. Dat mr. Keuchenius ter zitting van de voorzieningenrechter van 20 juni 2012 een ander standpunt heeft ingenomen, staat daaraan niet in de weg. Dat was immers een ander geding en bovendien een kort geding. Art. 154 Rv (de gerechtelijke erkentenis) en art. 236 Rv (gezag van gewijsde) zijn derhalve niet van toepassing.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d8ea4151f4973bf5546cc1001747c98ab96d4351d32e4b2cbea130da7e5becea. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d8ea4151f4973bf5546cc1001747c98ab96d4351d32e4b2cbea130da7e5becea, en de alinea staat in dat document op bytes 14223 tot 15043.