Citaat | Hoge Raad 1 juni 2018

Onder 3.3.3 Hoge Raad 1 juni 2018

Een alinea uit Hoge Raad 1 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:819.

Uit de motivering van zijn uitleg van de telefonische uitlating van [eiser 2] blijkt niet dat het hof de hiervoor in 3.3.1 weergegeven, door [eiseres 1] gestelde omstandigheden in zijn oordeel heeft betrokken. Het oordeel dat een beroep op art. 154 Rv en art. 236 Rv niet opgaat, vormt geen begrijpelijke weerlegging van de hiervoor in 3.3.1 onder (i) genoemde stelling van [eisers] dat uit de uitlating van mr. Keuchenius blijkt dat [verweerder] en zijn advocaat de telefonische uitlating van [eiser 2] niet als een opzegging hebben begrepen. De hiervoor in 3.3.1 onder (ii)-(iv) vermelde omstandigheden heeft het hof evenmin kenbaar in zijn beoordeling betrokken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d8ea4151f4973bf5546cc1001747c98ab96d4351d32e4b2cbea130da7e5becea. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d8ea4151f4973bf5546cc1001747c98ab96d4351d32e4b2cbea130da7e5becea, en de alinea staat in dat document op bytes 17767 tot 18445.