Citaat | Hoge Raad 1 juni 2018

Onder 3.4.1 Hoge Raad 1 juni 2018

Een alinea uit Hoge Raad 1 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:819.

Onderdeel 2.2 klaagt dat het hof in rov. 3.6 ten onrechte heeft overwogen dat het vereiste in art. 10 lid 1 van de vennootschapsakte niet in de weg staat aan een niet voorgeschreven en dus onregelmatige wijze van opzegging, zolang, zoals hier het geval is, de bewoordingen maar voldoende duidelijk zijn en de wederpartij hebben bereikt. Onderdeel 2.2.1 klaagt onder meer dat hof daarmee heeft miskend dat een voorschrift voor een bepaalde vorm voor het aangaan en opzeggen van een samenwerking, zoals in dit geval een vof, nu juist ervoor is bedoeld discussies als de onderhavige zoveel mogelijk te vermijden, althans dat het oordeel van het hof dat aan het schriftelijkheidsvereiste voorbij kan worden gegaan, ontoereikend is gemotiveerd. Onderdeel 2.2.3 klaagt dat het op rov. 3.5 voortbouwende oordeel in rov. 3.6 onjuist en onbegrijpelijk is op de in onderdeel 2.1 aangevoerde gronden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d8ea4151f4973bf5546cc1001747c98ab96d4351d32e4b2cbea130da7e5becea. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d8ea4151f4973bf5546cc1001747c98ab96d4351d32e4b2cbea130da7e5becea, en de alinea staat in dat document op bytes 18985 tot 19887.