Citaat | Hoge Raad 8 juni 2018

Onder 3.4.1 Hoge Raad 8 juni 2018

Een alinea uit Hoge Raad 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:857.

Onderdeel 1 klaagt voorts (onder b) dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste, want te beperkte, rechtsopvatting ten aanzien van de aard en de berekening van de billijke vergoeding van art. 7:683 lid 3 BW, nu het hof heeft beslist dat het daarbij (slechts) gaat om de ‘waarde’ van de arbeidsovereenkomst (indien herstel daarvan zou hebben plaatsgevonden). Bij de beoordeling van de hoogte van de billijke vergoeding is een afweging van alle omstandigheden van het geval vereist, aldus het onderdeel, hetgeen betekent dat niet alleen de ‘waarde’ die de arbeidsovereenkomst bij herstel daarvan voor de werknemer zou hebben gehad een rol speelt, maar ook andere elementen een rol spelen, zoals het verwijt dat de werkgever treft van het feit dat hij ten onrechte ontbinding heeft verzocht, de mate waarin de ontslaggrond waarop het verzoek is gebaseerd zich (niet) heeft voorgedaan, de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, het immateriële nadeel dat de werknemer heeft ondervonden en ondervindt doordat zijn arbeidsovereenkomst zonder goede grond is beëindigd, en de wens om de vergoeding een zeker preventief effect te geven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/33a74ecf87c277462908122cbadd2261aeeef4e4ddf87ea2cea83a54ad135ffd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 33a74ecf87c277462908122cbadd2261aeeef4e4ddf87ea2cea83a54ad135ffd, en de alinea staat in dat document op bytes 24292 tot 25454.