Citaat | Hoge Raad 12 juni 2018

Onder 3.2.3. Hoge Raad 12 juni 2018

Een alinea uit Hoge Raad 12 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:896.

Ik wilde mijn vordering voor de zitting inleveren, maar de persoon bij de balie vertelde mij dat ik de vordering na de zitting moest geven. De vordering is op 18 mei 2016 door mij ondertekend. Ik herken de handtekening als de mijne. Slachtofferzorg zei dat het te laat was om de vordering nog te versturen. Ik kon de vordering nog wel ter zitting overleggen, zo is mij verteld. Ik heb het voegingsformulier tijdens de schorsing aan de officier van justitie gegeven, het proces-verbaal klopt dus. De politierechter heeft ook geconstateerd dat ik ter zitting was verschenen. Ik begrijp dat dit niet volgt uit het zittingsproces-verbaal.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f8bb60e9c8c996e391f54f9cf24ed8efffb1fc789642db93b612b3ef39c06fda. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f8bb60e9c8c996e391f54f9cf24ed8efffb1fc789642db93b612b3ef39c06fda, en de alinea staat in dat document op bytes 12340 tot 12987.