Citaat | Hoge Raad 15 juni 2018
Onder 3.4.2 Hoge Raad 15 juni 2018
Een alinea uit Hoge Raad 15 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:915.
De omstandigheid dat uit de borgtochtovereenkomst ook verplichtingen voor de schuldeiser (kunnen) voortvloeien – zoals de verplichting op grond van art. 6:154 BW om zich te onthouden van gedragingen die ten koste van de borg afbreuk doen aan de rechten waarin hij mag verwachten te worden gesubrogeerd, of meer in het algemeen een jegens de borg in acht te nemen zorgvuldigheidsverplichting – maakt de borgtocht niet tot een wederkerige overeenkomst. Deze verplichtingen komen immers niet op de schuldeiser te rusten “ter verkrijging” van hetgeen waartoe de borg zich verbindt, zodat aan die verplichtingen het voor wederkerige overeenkomsten kenmerkende ruilkarakter ontbreekt. Wanneer de schuldeiser een dergelijke verplichting niet nakomt, kan de borg daaraan dan ook niet de bevoegdheid tot ontbinding van de borgtochtovereenkomst ontlenen. Wel heeft hij in zodanig geval, indien aan de overige voorwaarden is voldaan, recht op vergoeding van de schade die hij als gevolg van schending van de verplichting door de schuldeiser lijdt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9d2a96c2bca3c414d5a42de5522904453cbd7371728a5fd95a04020031be8f91. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9d2a96c2bca3c414d5a42de5522904453cbd7371728a5fd95a04020031be8f91, en de alinea staat in dat document op bytes 16851 tot 17921.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9d2a96c2bca3c414d5a42de5522904453cbd7371728a5fd95a04020031be8f91 | shasum -a 256