Citaat | Hoge Raad 28 juni 2019
Onder 3.7.3 Hoge Raad 28 juni 2019
Een alinea uit Hoge Raad 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1046.
Voor een geslaagd beroep op dwaling vereist art. 6:228 lid 1 BW dat causaal verband bestaat tussen de dwaling en het aangaan van de overeenkomst. De partij die zich op dwaling beroept zal dus aannemelijk moeten maken dat zij bij een juiste voorstelling van zaken de overeenkomst niet, althans niet onder de overeengekomen voorwaarden, zou hebben gesloten (zie hiervoor in 3.6.3). Daarnaast is voor het beroep op dwaling nodig dat de wederpartij moest begrijpen dat de aanwezigheid van een bepaalde eigenschap voor de dwalende van beslissende betekenis was. Het vereiste causaal verband dan wel de kenbaarheid daarvan voor de wederpartij ontbreekt in ieder geval als de omstandigheid waarop de gestelde dwaling betrekking heeft bij het sluiten van de overeenkomst in het geheel niet, of niet voor de wederpartij kenbaar, van belang is geweest (vgl. HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9398 (Volta), rov. 3.4.3).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4115aeb352dec0ff7e873ff0773c6aa64ca29aa6a66abe1bcac048aea16d9c69. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4115aeb352dec0ff7e873ff0773c6aa64ca29aa6a66abe1bcac048aea16d9c69, en de alinea staat in dat document op bytes 50233 tot 51159.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4115aeb352dec0ff7e873ff0773c6aa64ca29aa6a66abe1bcac048aea16d9c69 | shasum -a 256