Citaat | Hoge Raad 2 juli 2019

Onder 2.3. Hoge Raad 2 juli 2019

Een alinea uit Hoge Raad 2 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1069.

Het is vaste jurisprudentie van het Europese Hof dat uitlatingen die bijdragen aan een publiek debat in beginsel niet verboden mogen zijn, vanwege de vrijheid van meningsuiting. Het is toegestaan dat uitlatingen in het publieke debat, naar de terminologie van het EVRM, offend shock or disturb (zie ondermeer EHRM 8 juli 1999, Baskaya, NJ 2001/62, r.o. 61). Het recht op vrije meningsuiting mag uitsluitend worden beperkt indien die beperking noodzakelijk is in een democratisch samenleving. Dit komt er volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof op neer dat de beperking moet zijn ingegeven door een pressing social need, dat deze relevant and sufficient en proportionate to the ligitimate aims persued moet zijn. Het Europese Hof maakt bij de vaststelling of een uiting in het openbaar debat geoorloofd is onderscheid tussen de feitelijke oordelen en waardeoordelen (EHRM 22 oktober 2007, Lindon/Frankrijk, NJ2008/443, r.o. 46). Van waardeoordelen mag niet worden geëist dat ze worden bewezen (EHRM 8 juli 1986, Lingens/Oostenrijk, r.o. 46). Wel moet er een voldoende feitelijke basis zijn voor waardeoordelen. Een feitelijke basis mag niet ontbreken anders is het waardeoordeel excessief (EHRM 11 maart 2003, Lesnik/Slowakije, Reports 2003-IV).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6a87e4de588cde2964e06f27789e1d6f56cc74bf8854766f883598c387e95e61. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6a87e4de588cde2964e06f27789e1d6f56cc74bf8854766f883598c387e95e61, en de alinea staat in dat document op bytes 20310 tot 21578.