Citaat | Hoge Raad 9 juli 2019

Onder 2.8. Hoge Raad 9 juli 2019

Een alinea uit Hoge Raad 9 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1079.

Mede gelet op het vooralsnog ontbreken van een daarop toegesneden wettelijke regeling verdient het volgende opmerking. De bevoegdheid tot inbeslagneming van voorwerpen en de daarin besloten liggende bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek aan die voorwerpen kunnen op grond van art. 95 en 96 Sv ook worden uitgeoefend door de op grond van art. 148 Sv met het gezag over de opsporing belaste officier van justitie, nu deze blijkens art. 141, aanhef en onder a, Sv met opsporing is belast. Voorts kunnen die bevoegdheden op grond van art. 104, eerste lid, Sv worden uitgeoefend door de rechter-commissaris. De hier genoemde wettelijke bepalingen bieden tevens de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen door de officier van justitie respectievelijk de rechter-commissaris, indien de inbeslagneming is geschied door een opsporingsambtenaar.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b0ed8a76f064b78748675dfaa466125daf5c3b3e35cd32d213c5e82a690f4cb1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b0ed8a76f064b78748675dfaa466125daf5c3b3e35cd32d213c5e82a690f4cb1, en de alinea staat in dat document op bytes 29874 tot 30765.