Citaat | Hoge Raad 5 juli 2019
Onder 2.4.4. Hoge Raad 5 juli 2019
Een alinea uit Hoge Raad 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102.
De verzending van een stuk per post rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van dit stuk op het daarop vermelde adres, aangezien per post verzonden stukken in de regel op dat adres worden bezorgd. Het ligt daarom op de weg van de belanghebbende die de ontvangst van een door de Belastingdienst verzonden stuk ontkent, om dit vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat hij aannemelijk maakt dat het stuk niet op dat adres is ontvangen of aangeboden. Wanneer de belanghebbende aldus een beroep doet op een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 Awb, is het voldoende dat op grond van hetgeen hij aanvoert de ontvangst of de aanbieding van het besluit redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Slaagt de belanghebbende daarin, dan zal de inspecteur nader bewijs moeten leveren ten aanzien van die ontvangst of die aanbieding (vgl. ABRvS 10 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ4617, rechtsoverweging 2.3, CRvB 26 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW9413, rechtsoverweging 4.2, en HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416, rechtsoverweging 3.2.2).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8abd623b7c72554c599170283bfb45d192e03630321150e01eeb84f39156d4d0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8abd623b7c72554c599170283bfb45d192e03630321150e01eeb84f39156d4d0, en de alinea staat in dat document op bytes 10965 tot 12044.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/8abd623b7c72554c599170283bfb45d192e03630321150e01eeb84f39156d4d0 | shasum -a 256