Citaat | Hoge Raad 19 juli 2019

Onder 3.1 Hoge Raad 19 juli 2019

Een alinea uit Hoge Raad 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1279.

[verzoeker] is niet verschenen in de vorige instantie. De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen echter mee dat moet worden aangenomen dat de in art. 426 lid 1 Rv gebezigde woorden “in een der vorige instantiën verschenen”, niet de strekking hebben om beroep in cassatie uit te sluiten als de niet-verschenen belanghebbende buiten zijn schuld niet in de vorige instantie is verschenen. Uit de informatie die de secretaris van de ondernemingskamer heeft verstrekt (zie hiervoor in 2.9) blijkt dat de ondernemingskamer [verzoeker] bij gewone brief op zijn oude adres heeft opgeroepen. Van een deugdelijke oproeping op zijn woonadres is niet gebleken. Aangenomen moet worden dat [verzoeker] dus buiten zijn schuld niet is verschenen in de vorige instantie. Hij dient daarom in zijn cassatieberoep in de zaak 18/01935 te worden ontvangen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ecefcfaeee67611f68f0a29c42d36eb23169ce317880db79338a64b695dd4244. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ecefcfaeee67611f68f0a29c42d36eb23169ce317880db79338a64b695dd4244, en de alinea staat in dat document op bytes 35422 tot 36359.