Citaat | Hoge Raad 19 juli 2019

Onder 5.2.2 Hoge Raad 19 juli 2019

Een alinea uit Hoge Raad 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1279.

Het onderdeel slaagt. De beschikking vermeldt “[woonplaats]” als woonplaats van [verzoeker] . De ondernemingskamer is kennelijk ervan uitgegaan dat [verzoeker] een bekende woonplaats heeft in België. Niet gebleken is van een oproeping op de voet van art. 277 lid 1 Rv of art. 277 lid 2 Rv. Uit de informatie die de secretaris van de ondernemingskamer heeft verstrekt (zie hiervoor in 2.9) blijkt dat de ondernemingskamer [verzoeker] voor de tweede fase van de enquêteprocedure heeft opgeroepen bij gewone brief aan een adres waar hij sinds 2010 niet meer woont. [verzoeker] is vervolgens in de beschikking aangemerkt als niet-verschenen belanghebbende. Nu de ondernemingskamer niet aan de wettelijke oproepingsvereisten heeft voldaan en [verzoeker] niet in de procedure is verschenen, moet ervan worden uitgegaan dat [verzoeker] zich niet heeft kunnen verweren ter voorkoming van de vaststelling van wanbeleid en van zijn verantwoordelijkheid daarvoor. Dit levert een schending op van de eisen van hoor en wederhoor. Het gevolg hiervan is dat de beschikking niet in stand kan blijven.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ecefcfaeee67611f68f0a29c42d36eb23169ce317880db79338a64b695dd4244. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ecefcfaeee67611f68f0a29c42d36eb23169ce317880db79338a64b695dd4244, en de alinea staat in dat document op bytes 43423 tot 44526.