Citaat | Hoge Raad 1 februari 2019

Onder 3.3.4 Hoge Raad 1 februari 2019

Een alinea uit Hoge Raad 1 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:137.

Het oordeel van het hof dat [verweerder] ook in hoger beroep aan de orde heeft gesteld dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is dat hij achteraf nog een huurprijs moet betalen, is onbegrijpelijk dan wel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de eisen die aan een appelgrief zijn te stellen (zie hiervoor in 3.3.2). Noch in grief III en de toelichting daarop, noch elders in de memorie van grieven wordt betoogd dat [eisers] in het geheel geen aanspraak kunnen maken op enig bedrag aan huur. Dat betoog ligt evenmin voldoende kenbaar besloten in de enkele terloopse opmerking “Als er al sprake is van een huurschuldverplichting van appellant aan de boedel” en de tussenvoeging van het woord “hooguit” in de toelichting op grief III, ook niet indien gelezen in samenhang met de primaire vordering in het petitum te bepalen dat geen vergoeding verschuldigd zal zijn. [eisers] hebben, naar blijkt uit hun memorie van antwoord, de grieven dan ook niet aldus opgevat dat daarin mede wordt betoogd dat zij in het geheel geen aanspraak kunnen maken op enig bedrag aan huur. De klacht van het onderdeel is dus gegrond.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2eb72886918db4a05a2ad3350825a6f601a04f293be597d920c710a15716ee87. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2eb72886918db4a05a2ad3350825a6f601a04f293be597d920c710a15716ee87, en de alinea staat in dat document op bytes 17255 tot 18414.