Citaat | Hoge Raad 1 oktober 2019
Onder 4.3 Hoge Raad 1 oktober 2019
Een alinea uit Hoge Raad 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1472.
Het in art. 36 Sv bedoelde verzoek kan worden gedaan ingeval van “vervolging” van een zaak. Naar hedendaagse rechtsopvatting vangt de vervolging als bedoeld in art. 36, eerste lid, Sv aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Vanaf dat moment - en niet eerst vanaf het moment dat het openbaar ministerie de strafrechter betrekt in de strafzaak - kan de verdachte immers belang hebben bij het inroepen van het oordeel van de rechter omtrent het geëindigd zijn van de zaak.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4d431dc9b1ffbe92140e5cb165cbfd3af2ecef28249360c9672d08c6437c3ddd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4d431dc9b1ffbe92140e5cb165cbfd3af2ecef28249360c9672d08c6437c3ddd, en de alinea staat in dat document op bytes 14974 tot 15701.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/4d431dc9b1ffbe92140e5cb165cbfd3af2ecef28249360c9672d08c6437c3ddd | shasum -a 256