Citaat | Hoge Raad 22 november 2019
Onder 4.4.3 Hoge Raad 22 november 2019
Een alinea uit Hoge Raad 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830.
De uitzondering van punt 2.b), eerste alinea, kan niet anders worden begrepen, dan dat zij eisen stelt aan de inhoud van de overeengekomen wijzigingsbevoegdheid. Het komt volgens de rechtspraak van het HvJEU bij het beoordelen van de oneerlijkheid van een beding immers aan op het moment waarop de betrokken overeenkomst is gesloten, rekening houdend met alle omstandigheden (zie hiervoor in 3.2.1). Daarmee verdraagt zich niet dat de geldigheid van het beding, onafhankelijk van de inhoud daarvan, bepaald zou worden door de concrete toepassing daarvan in de toekomst (zie hiervoor in 3.5). Het zou ook onwenselijk zijn dat de geldigheid van het beding van de onzekere toepassing ervan zou afhangen. Waar het om gaat is of het beding voldoende verzekert dat de consument – indien al toelaatbaar is dat bij het aangaan van de overeenkomst geen inzicht in de wijzigingsgronden is gegeven – in geval van een wijziging tijdig over de informatie kan beschikken die hij nodig heeft om op de meest geëigende wijze op zijn nieuwe situatie te reageren.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2525fa3a5115b99025cda21d3ceabfa8bfe43f75e4c0cebdf5e10eb7d0cf7385. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2525fa3a5115b99025cda21d3ceabfa8bfe43f75e4c0cebdf5e10eb7d0cf7385, en de alinea staat in dat document op bytes 58981 tot 60107.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2525fa3a5115b99025cda21d3ceabfa8bfe43f75e4c0cebdf5e10eb7d0cf7385 | shasum -a 256