Citaat | Hoge Raad 3 december 2019
Onder 2.3 Hoge Raad 3 december 2019
Een alinea uit Hoge Raad 3 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1878.
Voor oplichting in de zin van art. 326, eerste lid, Sr is vereist dat iemand door een oplichtingsmiddel wordt “bewogen” tot de in die bepaling bedoelde handelingen. Van het in het bestanddeel “beweegt” tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is overgegaan tot (bijvoorbeeld) de afgifte van enig goed als bedoeld in art. 326, eerste lid, Sr. Het antwoord op de vraag of in een concreet geval het slachtoffer door een oplichtingsmiddel dat door de verdachte is gebezigd, is bewogen tot de in art. 326, eerste lid, Sr bedoelde handeling, is in sterke mate afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Bij het gebruik van het in deze zaak bewezenverklaarde oplichtingsmiddel “samenweefsel van verdichtsels” gaat het in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. (Vgl. HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2892.)
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e17307fa98d572fe6bfa621376c64611a0467346acf3b5fea54fd8413fdc8613. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e17307fa98d572fe6bfa621376c64611a0467346acf3b5fea54fd8413fdc8613, en de alinea staat in dat document op bytes 53564 tot 54742.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e17307fa98d572fe6bfa621376c64611a0467346acf3b5fea54fd8413fdc8613 | shasum -a 256