Citaat | Hoge Raad 17 december 2019

Onder 5.2.3 Hoge Raad 17 december 2019

Een alinea uit Hoge Raad 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1982.

Indien de rechter oordeelt dat binnen het onder 5.2.2 aangeduide opsporingstraject verklaringen van de verdachte in strijd met zijn verklaringsvrijheid zijn afgelegd, past daarop in de regel slechts uitsluiting van het bewijs van die verklaringen. Indien de rechter voor het bewijs wel gebruikmaakt van die verklaringen, moet hij motiveren waarom dit gebruik in het licht van het onder 5.2.2 weergegeven beoordelingskader toelaatbaar is en dient hij voorts ervan blijk te geven – op grond van de concrete omstandigheden van het geval – zelfstandig de betrouwbaarheid van de verklaringen te hebben onderzocht. De rechter toetst dan ook voor het overige de rechtmatigheid van de wijze van opsporing jegens de verdachte, onder meer met betrekking tot de vraag of het optreden door de opsporingsambtenaren in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9207c78186a1c1a3373f982d7a8dd8cab5dc5c3a7a395fe27da15509ef3ad779. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9207c78186a1c1a3373f982d7a8dd8cab5dc5c3a7a395fe27da15509ef3ad779, en de alinea staat in dat document op bytes 76951 tot 77858.