Citaat | Hoge Raad 17 december 2019

Onder 3.2.1 Hoge Raad 17 december 2019

Een alinea uit Hoge Raad 17 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1982.

Op 18 september 2014, omstreeks 22.35 uur, hoorde ik van [verbalisant 4] dat [verbalisant 2] en de verdachte terug waren bij de woning. [verbalisant 2] zei dat de verdachte mij wat wilde vertellen maar ook had verzocht of [verbalisant 2] daarbij kon zijn. Ik vertelde hen dat niet erg te vinden. De verdachte bleef staan en was zichtbaar gespannen. Hij liep heen en weer en op een gegeven moment deed hij zijn open handpalmen als bij een gebed tegen elkaar voor zijn borst. Met deze ‘bidhouding’ keek hij mij aan en bleef stil staan. Hij noemde mij bij mijn naam en zei: “ [B] , ik wil bij jou het gebed van mijn leven doen. Ik heb het gedaan.” Ik keek de verdachte aan en vroeg: “Hoe?” “Met een baksteen”, antwoordde de verdachte.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9207c78186a1c1a3373f982d7a8dd8cab5dc5c3a7a395fe27da15509ef3ad779. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9207c78186a1c1a3373f982d7a8dd8cab5dc5c3a7a395fe27da15509ef3ad779, en de alinea staat in dat document op bytes 27113 tot 27873.