Citaat | Hoge Raad 22 februari 2019
Onder 3.3.6 Hoge Raad 22 februari 2019
Een alinea uit Hoge Raad 22 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:271.
“Aan het einde van het proces-verbaal wordt vermeld waarom ik om een mondelinge behandeling vraag ten overstaan van de meervoudige kamer. Ik was inderdaad in de veronderstelling dat de bevolen comparitie bedoeld en gericht was op onderzoek van het Hof naar de feitelijkheden, die het nog nodig heeft om over de in r.o. 5.24 tot en met 5.26 genoemde kwesties te kunnen beslissen. Het enkele antwoord op de in r.o. 5.27 vermelde vraag had immers ook (of wellicht beter) bij akte gedaan kunnen worden. Voornoemde veronderstelling is tevens gebaseerd op de brief d.d. 12 oktober 2017 van Uw Hof, waarin in de derde alinea gesteld wordt dat na beantwoording van de vragen ‘al die aspecten van de zaak aan de orde te stellen die nog van belang zijn ten behoeve van de door het hof noodzakelijk geachte informatieverzameling (…)’. Dat heeft niet plaatsgevonden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d458fd1ebcd71fc749cf86c36fcab7af3dad68e69e38bcd854b8e027b1d7c2b8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d458fd1ebcd71fc749cf86c36fcab7af3dad68e69e38bcd854b8e027b1d7c2b8, en de alinea staat in dat document op bytes 20486 tot 21361.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d458fd1ebcd71fc749cf86c36fcab7af3dad68e69e38bcd854b8e027b1d7c2b8 | shasum -a 256