Citaat | Hoge Raad 11 januari 2019

Onder 2.2.1. Hoge Raad 11 januari 2019

Een alinea uit Hoge Raad 11 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:29.

Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende de onveraccijnsde sigaretten in de zin van artikel 2, lid 1, letter b, van de Wet voorhanden heeft gehad, waardoor hij als belastingplichtige in de zin van artikel 51, lid 1, letter b, van de Wet de accijns ter zake van die sigaretten verschuldigd is geworden en dat de accijns daarom terecht van hem is nageheven. Aan dat oordeel heeft het Hof ten grondslag gelegd dat uit het geheel van beschikbare gegevens, vooral die uit het overzichtsprocesverbaal van de Belastingdienst/FIOD, in samenhang en afzonderlijk bezien, blijkt dat belanghebbende over een buiten een accijnsschorsingsregeling aangetroffen hoeveelheid sigaretten (mede) zeggenschap heeft gehad, erover heeft beschikt en ook heeft kunnen weten of vermoeden dat het sigaretten betreft die niet overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de Nederlandse accijnswetgeving in de heffing waren betrokken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ea759f46dd1b636994abdfbb26fdb8d595cb066afe53c408b816122479bcd918. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ea759f46dd1b636994abdfbb26fdb8d595cb066afe53c408b816122479bcd918, en de alinea staat in dat document op bytes 8071 tot 9012.