Citaat | Hoge Raad 11 januari 2019

Onder 3 Hoge Raad 11 januari 2019

Een alinea uit Hoge Raad 11 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:3.

3.2.2 Aan deze vorderingen hebben de notaris c.s. primair ten grondslag gelegd dat, als zou komen vast te staan dat erflater de wettelijke verdeling heeft beoogd, hieraan op grond van art. 4:46 BW uitvoering gegeven had kunnen en moeten worden. Dit hebben partijen niet gedaan, waardoor de erfgenamen ten onrechte een erfdeel hebben ontvangen in plaats van een niet-opeisbare vordering. Hierdoor zijn de kinderen en stiefdochters ongerechtvaardigd verrijkt. Subsidiair hebben de notaris c.s. aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat de kinderen en stiefdochters onrechtmatig jegens hen hebben gehandeld door de (hiervoor in 3.1.2 genoemde) vaststellingsovereenkomst te sluiten. De afspraak dat de echtgenote € 250.000,-- uit de nalatenschap mag aanwenden voor de procedure tegen de notaris c.s. is in strijd met de goede zeden dan wel met de maatschappelijke betamelijkheid. Deze handelwijze van de kinderen en stiefdochters strekt er in feite toe de omvang van de nalatenschap ten koste van de notaris te verdubbelen, aldus de notaris c.s. Bovendien profiteren de kinderen en stiefdochters hierdoor van de door de notaris gepleegde wanprestatie.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e9ee8b70711b7e21e00d483011e2211448d6e74926a06828ef0a20acf67d8746. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e9ee8b70711b7e21e00d483011e2211448d6e74926a06828ef0a20acf67d8746, en de alinea staat in dat document op bytes 11339 tot 12504.