Citaat | Hoge Raad 11 januari 2019

Onder 2.3.2. Hoge Raad 11 januari 2019

Een alinea uit Hoge Raad 11 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:30.

Met de heffing van het griffierecht in bestuursrechtelijke zaken heeft de wetgever onder meer beoogd dat rechtzoekenden aan de hand van de daaraan verbonden kosten een zorgvuldige afweging maken of het zin heeft een zaak aan de bestuursrechter voor te leggen (zie Kamerstukken II, 1984/85, 18 835, nr. 3, blz. 6, en Kamerstukken II, 1991/92, 22 495, nr. 3, blz. 125). Niet kan worden gezegd dat dit oordeel van de wetgever evident van iedere redelijke grond is ontbloot. Gelet op de aan de wetgever toekomende ruime beoordelingsvrijheid kan daarom niet worden gezegd dat het hiervoor bedoelde onderscheid met strafzaken, als al kan worden gesproken van gelijke gevallen, een objectieve en redelijke rechtvaardiging ontbeert. Van een ongelijke behandeling in strijd met enige voor Nederland bindende verdragsbepaling is geen sprake. Middel 2 faalt daarom ook.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bcbd7ea9a3c82f9c50ec843ca73e561cbd9f148be461f85158e3a607f9577d83. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bcbd7ea9a3c82f9c50ec843ca73e561cbd9f148be461f85158e3a607f9577d83, en de alinea staat in dat document op bytes 7715 tot 8586.