Citaat | Hoge Raad 22 maart 2019

Onder 3.2.2 Hoge Raad 22 maart 2019

Een alinea uit Hoge Raad 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:404.

“5.2. Gelet op de in artikel 7:686a lid 4 BW genoemde vervaltermijn heeft [de werkneemster] haar primaire verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet en haar subsidiaire verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding, op grond van 7:681 BW, tijdig ingediend. De kantonrechter gaat ervan uit dat de voorwaarde waaronder [de werkneemster] haar subsidiaire verzoek heeft ingesteld – namelijk voor het geval zou worden geoordeeld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is – op een kennelijke vergissing berust.”

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fe7e6fde70d6ee6d9e9898f59e8ea7db204065cb3e7cf3da45e0301aead436b8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fe7e6fde70d6ee6d9e9898f59e8ea7db204065cb3e7cf3da45e0301aead436b8, en de alinea staat in dat document op bytes 13895 tot 14446.