Citaat | Hoge Raad 22 maart 2019

Onder 3.2.4 Hoge Raad 22 maart 2019

Een alinea uit Hoge Raad 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:404.

[De werkneemster] verzoekt in het op 24 januari 2018 ingekomen beroepschrift in incidenteel hoger beroep alsnog onvoorwaardelijk de toewijzing van een transitievergoeding van € 9.766,20 bruto en een billijke vergoeding van € 5.000,-- netto wegens ernstig verwijtbaar handelen door Omega, bestaande uit onterecht ontslag op staande voet, voorafgegaan door een diffamerende op non-actiefstelling. Het vorenstaand oordeel brengt mee dat dit verzoek niet is ingediend binnen de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 onder a en b BW van 3 respectievelijk 2 maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, zodat [de werkneemster] niet-ontvankelijk is in deze verzoeken en het daarmee samenhangende verzoek om deze vergoedingen te vermeerderen met wettelijke rente. [De werkneemster] heeft weliswaar terecht gesteld dat de vordering eerder dan in hoger beroep bestond, maar het gaat niet om het bestaan van de aanspraak op een transitievergoeding en billijke vergoeding, maar om de vraag of het verzoek tot betaling daarvan binnen de vervaltermijn is ingesteld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fe7e6fde70d6ee6d9e9898f59e8ea7db204065cb3e7cf3da45e0301aead436b8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fe7e6fde70d6ee6d9e9898f59e8ea7db204065cb3e7cf3da45e0301aead436b8, en de alinea staat in dat document op bytes 18566 tot 19654.