Citaat | Hoge Raad 22 maart 2019

Onder 3.4.1 Hoge Raad 22 maart 2019

Een alinea uit Hoge Raad 22 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:404.

Onderdeel 1.2 is gericht tegen het oordeel in rov. 5.24 dat de werkneemster pas na het verstrijken van de vervaltermijn van art. 7:686a lid 4, aanhef en onder a of b, BW om toekenning van een billijke vergoeding heeft verzocht, zodat de werkneemster niet-ontvankelijk is in dit verzoek. Volgens het onderdeel is dit oordeel onjuist althans onbegrijpelijk, omdat het hof heeft miskend dat het door de werkneemster in hoger beroep gedane verzoek om toekenning van een billijke vergoeding niet is gebaseerd op art. 7:681 BW, maar op art. 7:671b lid 8, aanhef en onder c, BW, waarvoor geen vervaltermijn geldt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fe7e6fde70d6ee6d9e9898f59e8ea7db204065cb3e7cf3da45e0301aead436b8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fe7e6fde70d6ee6d9e9898f59e8ea7db204065cb3e7cf3da45e0301aead436b8, en de alinea staat in dat document op bytes 24604 tot 25223.